Terminologie

informatie: 
Hier staan enkele Japanse of Engelse termen die veel worden gebruikt. Sommigen hebben een Nederlandse naam gekregen.

IN BEWERKING

term betekenis
AJI mogelijkheden, kansen
AJI KESHI verlies van zetopties/mogelijkheden
ATARI directe dreiging, met de volgende zet kan gevangen worden
BYOYOMI extra bedenktijd na reguliere tijd
DAMEZUMARI tekort aan vrijheden
FUSEKI opening van het spel
GOTE verlies van initiatief, ook wel nahand genoemd
HOSHI voorgiftpunt op het bord
JOSEKI bekendstaande volgorde van spelen met gelijkwaardig resultaat
KEIMA paardensprong
KOMI voorgift in aantal stenen
MOYO één groot gebied
SEMEAI gevecht
SENTE behoud van initiatief, ook wel voorhand genoemd
TENUKI lokaal niet verder spelen maar ergens anders op het bord
TESUJI verrassende zet met meerdere mogelijkheden
YOSE eindspel
APENSPRONG  
ATSUMI sterke vorm die veel invloed heeft

APENSPRONG [monkey jump, sarusuberi]: (zie figuur) ATSUMI [thickness, sterkte]: sterke vorm die veel invloed heeft BAMBOE: zet die een verbinding veilig stelt (zie figuur) BOSHI [cap]: een ikken tobi door de tegenstander om te verhinderen dat men richting centrum kan spelen BYO-YOMI: extra bedenktijd na reguliere tijd DAME: een neutraal punt dat niemand als gebiedspunt mag tellen DAMEZUMARI: een tekort aan vrijheden DAN: een klassering voor sterkere spelers DANGO: zware klomp van stenen DUBBEL ATARI: (zie figuur) DUBBEL KO: (zie figuur) KIFU: formulier om partijen te noteren FURIKAWARI: een ruil FUSEKI: opening van het spel GETA: een vangzet (zie figuur) GOTE: verlies van initiatief, ook wel nahand genoemd HAMETE: riskante zet die een fout van de tegenstander wil uitlokken HANAMI KO [flower-viewing ko]: een ko met weinig risico voor één van de spelers HANE: een ombuiging (zie figuren: there is death in the hane, play hane at the head of n-stones) HONTE [proper move]: solide zet die geen slechte aji achterlaat HOSHI: voorgiftpunt op het bord, in de hoek het 4-4 punt IKKEN TOBI: een éénpuntssprong (zie figuur) INGOOIEN/INWERPEN [horikomi]: (zie figuur) ISHI-NO-SHITA [onder de stenen]: tesuji door terug te kunnen spelen op een punt nadat er geslagen is JIGO: gelijkspel JOSEKI: standaardpatroon van spelen met gelijkwaardig resultaat, komt vaak in openingen in hoeken voor KEIMA: paardensprong (zie figuur) KIAI = fighting spirit KO: (zie figuur) KO-DREIGING: (zie figuur) KOMOKU: het 3-4 punt KIKASHI: een dwangzet waarbij meestal maar één goed antwoord mogelijk is KOMI: compensatie voor wit omdat zwart het eerst mag spelen, meestal 6½ punt waardoor jigo wordt voorkomen LADDER [shicho]: een vangzet (zie figuur) LADDERBREKER: (zie figuur) KAKARI: een zet die een hoek aanvalt waarin één vijandelijke steen staat KATACHI: mooie vorm KNIP [kiri]: (zie figuur) KNIPPUNT: (zie figuur) KNIPSTENEN: (zie figuur) KOSUMI: (zie figuur) KRUISKNIP: (zie figuur) KYU: een klassering voor zwakkere spelers LEGE DRIEHOEK: (zie figuur) MANE-GO: spiegelspel MANNEN-KO [ten thousand year ko, eeuwig ko]: een ko dat beide spelers liever niet willen starten ME-ARI-ME-NASHI [één oog tegen geen oog]: gevecht waarbij een groep met één oog tegen een oogloze groep vecht MIAI: twee punten die elkaars backup zijn als de tegenstander op één van deze zet MOCHIKOMI: verlies van stenen zonder compensatie o.a. door een mislukte invasie MOKUHAZUSHI: het 3-5 punt MOYO: een groot raamwerk NADARE: het lawine joseki, een joseki met lange varianten NAKADE: de binnenruimte van een groep die met één zet levend of dood gemaakt kan worden NIGIRI: een lootmethode wie bij een gelijkop partij mag beginnen NIKEN TOBI: een tweepuntssprong NOZOKI [peep]: een zet die dreigt te knippen (zie figuur) OBA: grote zet in de opening OGEIMA: grote paardensprong (zie figuur) (ECHT) OOG: ... OVERGECONCENTREERD [overconcentrated, korigatachi]: te veel stenen op inefficiënte wijze bij elkaar OVERPLAY: riskante zet die te veel wil PINCER [hasami] : een klemzet, meestal na een kakari (zie figuur) PONNUKI: een oogvorm (zie figuur) SABAKI: lichte vorm, o.a. gebruikt om een groep te kunnen "settelen" SAN-SAN: het 3-3 punt SEKI: een onbesliste stand waarin groepn leven zonder twee ogen. (zie figuur) SEMEAI: een strijd tussen elkaar omsingelende groepen waarbij geen van de spelers twee ogen kan maken SEMEDORI: gedwongen vangst SENTE: behoud van initiatief, ook wel voorhand genoemd SETTELEN: een levende groep maken binnen de vijandelijke invloedssfeer SNAP-BACK [uttegae] [muizenval]: een vangzet (zie figuur) SHICHO = ladder SHIMARI: bezetting van een hoek met twee stenen SHINOGI: territoriale speelwijze die vertrouwt het kunnen redden van zwakke groepen SQUEEZE [shibori]: tesuji die een groepje stenen van de tegenstander in een zwakke/oogloze vorm dwingt TAKAMOKU: het 4-5 punt TENUKI: lokaal niet verder spelen maar ergens anders op het bord TESUJI: een slimme zet die lokaal een goed resultaat oplevert TEWARI: methode van analyse/evaluatie door volgorde van zetten aan te passen TSUKE: een plakzet (zie figuur) TSUMEGO: een leven-en-dood problemen, vaak gebruikt als leerstof VALS OOG: ... VALS SEKI: een tijdelijk seki dat uiteindelijk geen stand houdt VOORGIFT (in zetten): een aantal zetten die een zwakkere zwartspeler als eerste mag spelen op het lege bord VOORGIFT (in komi): het minimale verschil in punten dat wit moet halen om te niet te verliezen VRIJHEID: ... WARIUCHI: een zet die de stelling van de tegenstander splijt YOSE: eindspel YOSU-MIRU: testzet om te kijken hoe de tegenstander antwoordt om daarna de eigen strategie te bepalen